◷ 8 min leestijd
Je kent dat wel, zo'n week waarin alles net iets te vol zit. Je gaat later naar bed dan je wilde, je eet wat er voorhanden is, en aan het eind van die week voel je je gewoon minder fit dan normaal. En dan denk je: hoe kan dat, ik heb toch niks geks gedaan? Wat ik vanuit mijn achtergrond in de orthomoleculaire geneeskunde en de kPNI zo interessant vind, is dat je afweer in zo'n week eigenlijk gewoon zijn werk heeft gedaan, alleen onder lastigere omstandigheden.
Want je immuunsysteem is geen alarm dat pas afgaat als er iets binnenkomt. Het is de hele dag en de hele nacht bezig, alleen op heel verschillende manieren. In dit artikel neem ik je mee in dat ritme, want als je dat eenmaal ziet, ga je een heleboel dingen anders begrijpen.
Je afweer is nooit klaar
Laten we beginnen bij wat je afweer eigenlijk doet. We denken bij het immuunsysteem vaak aan ziek worden, aan een virus dat langskomt en een lichaam dat terugvecht. Dat is één onderdeel. Het grootste deel van het werk is veel alledaagser: opruimen, herstellen, en de hele tijd beoordelen wat er voorbijkomt en of dat erbij hoort of niet.
Dat beoordelen gebeurt vooral op de plekken waar je lichaam contact maakt met de buitenwereld. Je huid, je luchtwegen, je ogen, en de hele binnenkant van je spijsvertering. Ik noem dat altijd de douaneposten van je lichaam. Daar staat de bewaking, daar wordt gekeken wat er binnen mag en wat niet, en daar wordt het meeste werk verzet. Je merkt daar in gezonde omstandigheden helemaal niets van, en dat is precies de bedoeling.
Wat wel meespeelt: hoe steviger die grenzen zijn, hoe rustiger de bewaking kan werken. Een huid die goed in conditie is en slijmvliezen die soepel en vochtig blijven, doen al een enorm deel van het werk voordat er ook maar één afweercel aan te pas komt.
Twee systemen die allebei veel vragen
Hier wordt het interessant. Binnen de kPNI kijken we heel vaak naar energie, want uiteindelijk draait bijna alles daarop. Je lichaam heeft namelijk een soort rangorde in wie er als eerste energie krijgt, en je hersenen staan daarin standaard bovenaan. Die zijn duur in onderhoud en die geven hun plek niet zomaar op.
Je immuunsysteem is in rust juist opvallend goedkoop. Zolang er niets aan de hand is, kost het relatief weinig. Maar zodra het echt aan de slag moet, verandert dat radicaal: dan kan je afweer een enorm deel van alle beschikbare energie naar zich toe trekken. Je voelt dat zelf ook, want als je lichaam ergens mee bezig is, ben je moe, heb je weinig trek en wil je vooral liggen. Dat is geen zwakte, dat is je lichaam dat de energie verlegt naar waar die op dat moment het hardst nodig is.
En daar zit meteen het probleem: twee systemen die allebei veel kunnen vragen, kunnen niet tegelijk vol aan. Dan ontstaat er een conflict. De oplossing die je lichaam daarvoor heeft gevonden, is eigenlijk heel elegant.
Daarom werkt je lichaam in ploegendienst
Je lichaam heeft dat conflict opgelost met een ploegendienst. Overdag hebben je hersenen voorrang. Cortisol en adrenaline, de stoffen die je overdag alert en actief houden, zetten je afweer wat zachter. Dat is geen sabotage, dat is verdeling: je moet overdag kunnen denken, werken, reageren en bewegen, en dan is het handig als je lichaam niet tegelijk een grote verbouwing aan het draaien is.
En dan valt het donker, je gaat slapen, en de dienst wisselt. Kort nadat je in slaap valt, komen er stoffen vrij die precies het omgekeerde doen. Groeihormoon, prolactine en melatonine geven je afweer juist ruimte om aan het werk te gaan. De nacht is dus niet de tijd waarin er niets gebeurt, het is de tijd waarin het andere werk gebeurt: herstellen, opruimen, vernieuwen.
Ik vind dit zo'n mooi beeld, omdat het meteen duidelijk maakt waarom een structureel korte nacht zoveel doet. Je haalt dan niet alleen uren slaap weg, je haalt werktijd weg bij de ploeg die 's nachts aan de beurt is.
Waarom dat ritme op zichzelf al belangrijk is
En dan iets wat vaak wordt overgeslagen. Het gaat niet alleen om hoevéél van een stof er is, het gaat ook om het op en neer gaan ervan. In je lichaam wisselt bijna alles in een ritme van ongeveer vierentwintig uur: hormonen, neurotransmitters, je temperatuur, je bloeddruk. Elke stof heeft daarin zijn eigen moment.
Dat op en neer gaan heeft een functie. Op het moment dat er weinig van een stof aanwezig is, staan de ontvangers in je cellen juist heel gevoelig afgesteld, en op het moment dat er veel is, zijn er minder ontvangers actief. Zo houdt je lichaam zichzelf scherp. Ligt een stof daarentegen de hele dag op hetzelfde niveau, dan gebeurt er één van twee dingen: je systeem gaat er steeds sterker op reageren, of het gaat er juist steeds minder op reageren. Allebei kosten je flexibiliteit, en flexibiliteit is precies waar gezondheid op drijft.
Dus als ik zeg dat ritme belangrijk is, bedoel ik niet alleen dat je op tijd naar bed moet. Ik bedoel dat het wisselen zélf, die golf van hoog naar laag en terug, onderdeel is van hoe je lichaam werkt.
Licht is de belangrijkste tijdgever
Wie houdt dat allemaal bij? Er zit een soort hoofdklok in je hersenen, in een klein gebied in de hypothalamus. Die hoofdklok stuurt de rest aan. En het bijzondere is dat vrijwel elk orgaan daarnaast ook nog zijn eigen klok heeft: je lever, je nieren, je darm, je afweercellen. Die lopen normaal gesproken netjes gelijk met de hoofdklok.
Wat die hoofdklok gelijkzet, is vooral licht. Licht is verreweg de sterkste tijdgever die we kennen. Daarom doet het er zoveel toe dat je in de ochtend echt daglicht ziet en dat het 's avonds om je heen rustiger en donkerder wordt. Je geeft je lichaam daarmee de informatie waarop het zijn hele planning baseert. Andere dingen praten mee, zoals wanneer je eet en wanneer je beweegt, maar licht is de baas.
En waar komen voedingsstoffen dan binnen
Al dat werk, zowel de dagdienst als de nachtdienst, draait op bouwstoffen. Vitamines en mineralen zijn in je lichaam een soort meewerkers: ze maken processen mogelijk zonder dat ze zelf opgaan in het eindproduct. In mijn vak noemen we die meewerkers cofactoren. Ontbreekt er ergens een schakel in de keten, dan stokt het proces, hoeveel je van al het andere ook hebt.
Een paar daarvan zijn in dit verhaal extra de moeite waard om te kennen. Vitamine C bijvoorbeeld kan de mens, anders dan de meeste zoogdieren, niet zelf aanmaken. Wij missen daar een enzym voor, dus we zijn volledig afhankelijk van wat er op ons bord ligt. En omdat vitamine C wateroplosbaar is, wordt het niet opgeslagen in je vetweefsel; wat je vandaag niet gebruikt, gaat er gewoon weer uit. Dat maakt dat het elke dag opnieuw moet binnenkomen.
Vitamine D werkt precies andersom. Die maak je zelf aan in je huid onder invloed van zonlicht, en je slaat hem op in je vetweefsel. Daarna moet hij nog geactiveerd worden, en dat gebeurt in je lever en je nieren, met magnesium als meewerker in meerdere stappen. Een stof die dus een hele route aflegt voordat hij kan doen wat hij moet doen.
Verder spelen zink en vitamine A hier mee, allebei stoffen die te maken hebben met de conditie van je huid en je slijmvliezen, precies die douaneposten van daarnet. En de B-vitamines draaien overal mee in het vrijmaken van energie uit je voeding, wat weer nodig is voor élk van die processen.
Wat ik je hieruit mee wil geven
Als je één ding onthoudt van dit artikel, laat het dan zijn dat je afweer geen knop is die aan of uit staat, maar een ploegendienst die dag en nacht doorloopt. De dagdienst en de nachtdienst hebben allebei hun eigen werk, en ze hebben allebei ruimte nodig.
Dat betekent ook dat de dingen die dat ritme in de war sturen, meer doen dan alleen je vermoeid maken. In het volgende artikel kijk ik naar de drie die in mijn ervaring het vaakst meespelen: spanning, slaap en het seizoen waarin we leven. Juist in Nederland is dat laatste een verhaal apart.
Dit is deel 1 van een reeks van 4. In het laatste deel, Vitamine C, vitamine D en 89 ingrediënten: de Weerstand Bundle, lees je welke producten hierbij passen.




